Een moderne regelgeving m.b.t. de nucleaire veiligheid
Op 30 november 2011 hebben de Koning en de Minister van Binnenlandse Zaken een door het FANC voorgesteld (en in het Belgisch staatsblad van 21 december 2011 gepubliceerd) koninklijk besluit houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties
ondertekend. Het voorstel van besluit werd door de Ministerraad op 20 juli 2011 goedgekeurd. De uitgave van dit besluit is vooral belangrijk in het licht van de gebeurtenissen te Fukushima.
Dit besluit richt zich tot de exploitanten van de kerninstallaties van klasse 1 en in het bijzonder van kernreactoren voor de elektriciteitsproductie. Er wordt een reeks van veiligheidsvoorschriften in afgekondigd die de exploitant moet toepassen. Deze aanpak, die wijdverbreid is door de internationale normen en regels inzake nucleaire veiligheid, is deze van een regelgeving door doelstellingen. De nucleaire regelgevende overheid (FANC en Bel V) zal nagaan of er door de exploitant processen werden ingevoerd om aan deze doelstellingen te beantwoorden, evenals de performantie ervan. Daarenboven structureert dit besluit een reeks vereisten die aan de exploitanten van installaties van klasse I worden opgelegd en die totnogtoe vastgesteld worden door het FANC and Bel V, maar zich niet in een zelfdragend document bevonden.
Bases
Eind 2004 hebben de veiligheidsautoriteiten, die lid zijn van WENRA (Western European Nuclear Regulators Association), zich ertoe verbonden om de nodige initiatieven te nemen voor een harmonisatie van hun reglementaire veiligheidsaanpak m.b.t. de bestaande vermogensreactoren. Zo werden er ongeveer driehonderd “referentieniveaus” bepaald. Ter uitvoering van dit engagement werden op Belgisch niveau twee omvangrijke initiatieven genomen:
- Er werd door de exploitant van de kerncentrales een praktisch actieplan opgezet met het oog op het verzekeren van de naleving van het geheel van de referentieniveaus. Dit actieplan werd door het FANC op zijn website gepubliceerd waar het op het volgend adres kan worden geraadpleegd.
- Een regelgevend actieplan is midden 2007, onder leiding van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en met deelname van zijn filiaal Bel V, van start gegaan.
Door de publicatie, eind 2009, van de Europese richtlijn 2009/71/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties werd er beslist om de toepasbaarheid van bepaalde referentieniveaus van generieke aard uit te breiden naar alle inrichtingen van klasse I, om zo de volledige omzetting van deze richtlijn in Belgisch recht te verzekeren.
Een modulaire structuur die het voorwerp zal uitmaken van verdere evoluties
De tekst van het besluit wordt in twee grote delen gestructureerd. Het eerste deel vermeldt de generieke veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op elk type inrichting van klasse I. Het tweede gedeelte (hoofdstuk 3) is specifiek voor een bijzonder type van installaties en vermeldt de specifieke voorschriften voor de vermogensreactoren.
In de toekomst zullen er in bijkomende hoofdstukken specifieke voorschriften worden vermeld voor andere types installaties.
Zo vormt het generiek gedeelte van dit besluit tevens een reglementaire basis voor de toekomstige oppervlakteberging van radioactief afval te Dessel, waartoe in juni 2006 door de Ministerraad werd beslist. Er werd door het FANC een specifiek ontwerpbesluit voor de veiligheid van de definitieve berging van radioactief afval uitgewerkt en dit zou als dusdanig de eerste uitbreiding van dit besluit moeten vormen.
De inhoud van het besluit wordt als volgt gestructureerd:
Veiligheidsbeheer
De exploitant moet schriftelijk verklaren dat hij prioritair belang hecht aan de veiligheid van zijn activiteiten en hij moet tevens een verbintenis aangaan om de veiligheid verder te ontwikkelen en om zijn prestaties en vorderingen ter zake op te volgen.
Hij moet een gepaste organisatiestructuur voor de veilige uitvoering van zijn activiteiten opzetten en documenteren. Zijn beslissingen inzake veiligheid moeten worden voorafgegaan door een voldoende grondig onderzoek. De opleidingsbehoeften van het personeel moeten voor alle bij de veiligheid betrokken functies systematisch worden opgelijst, vastgesteld en gedocumenteerd. Hij dient over een geïntegreerd en strikt managementsysteem te beschikken dat hem in staat stelt zich ervan te vergewissen dat de zorg voor de veiligheid op alle niveaus en bij de uitvoering en voorbereiding van alle taken en processen aanwezig is.
Ontwerp
De principes, zoals de diepteverdediging (defence-in-depth), het criterium van de enkelvoudige faling of nog het “fail safe”-principe moeten van bij het ontwerp worden toegepast. Voor de reactoren zijn er bijzondere voorschriften m.b.t. de belangrijkste systemen, structuren en componenten voor de veiligheid, zoals de uitschakelfuncties, de instrumentatie en de controle, het beschermingssysteem, het omhulsel, de controlezaal.
Voor de reactoren wordt er gevraagd om de ernstige ongevallen waarmee geen rekening werd gehouden bij het oorspronkelijk ontwerp, te analyseren en om die ongevallen waarvoor er mogelijk preventieve en milderende maatregelen kunnen worden getroffen, te identificeren.
In de artikelen wordt gevraagd dat de structuren, systemen en componenten ingedeeld worden volgens hun belang voor de veiligheid. De ingedeelde uitrusting maakt het voorwerp uit van bijzondere kwalificatieprocedures.
Uitbating
Bij de uitbating van de kerninstallaties moeten de uitbatingslimieten en -voorwaarden die de belangrijke technische veiligheidsparameters omvatten, worden nageleefd, maar tevens de voorschriften inzake personeelsdotatie en beschikbaarheid van de uitrusting, evenals de te ondernemen acties in geval van het falen van deze uitrusting en de hiervoor toegestane termijnen.
Er wordt aan de exploitant gevraagd om een verouderingsbeheerprogramma van de uitrusting op te stellen om de beschikbaarheid van de veiligheidsfuncties en de betrouwbaarheid van de structuren, systemen en componenten die belangrijk zijn voor de veiligheid gedurende de ganse levensduur te kunnen behouden.
De exploitant dient op systematische wijze de ervaringsfeedback van de uitbating van zijn eigen installaties en van andere vergelijkbare installaties (ook buitenlandse) te beheren, ten einde daaruit afdoende lessen te trekken en de gepaste acties te ondernemen.
De onderhoudsprogramma's, inspecties tijdens de werking en de gepaste functionele tests moeten bepaald, gedocumenteerd en uitgevoerd worden.
Voor de kerncentrales moeten er procedures bestaan om het hoofd te bieden aan ongevallen van het type ontwerpongevallen en leidraden voor het beheer van ernstige ongevallen van het type buitenontwerpongevallen.
Veiligheidsverificatie
In de voorschriften wordt gevraagd dat het ontwerp en de uitbating van de kerninstallaties overeenkomstig een veiligheidsverslag gebeuren dat gedurende de ganse levensduur van de installatie up-to-date moet worden gehouden.
Voor elke centrale dient een probabilistische veiligheidsstudie te worden opgesteld. In dergelijke veiligheidsstudies wordt de waarschijnlijkheid van een kernsmelt (studie van niveau 1) en radioactieve uitstoot in het leefmilieu (niveau 2) geëvalueerd en deze dienen als ondersteuning voor de evaluaties en beslissingen inzake veiligheid.
Het principe van de periodieke veiligheidsherzieningen (in principe om de tien jaar) wordt behouden. Deze veiligheidsherzieningen dienen om het veiligheidsniveau van de installatie te bevestigen en dienen te leiden tot verbeteringsacties en een globale veiligheidsbalans van de installatie.
De exploitant dient over een rigoureuze methodologie te beschikken voor het beheer van de wijzigingen, en dit zowel voor de tijdelijke als de permanente wijzigingen en hij dient een graduele aanpak van het wijzigingsbeheer door te voeren.
Voorbereiding op een noodsituatie
De exploitant dient een intern noodplan op te stellen. Hij moet de gepaste middelen op het gebied van personeel, materiaal en infrastructuur op de site voorzien, evenals de gepaste aanspreekpunten met, indien nodig, de vereiste externe intervenanten. Het intern noodplan dient het voorwerp uit te maken van regelmatige oefeningen.
De exploitant dient een strategie uit te werken voor het bestrijden van brandrisico's, zowel preventief als curatief. Deze strategie berust op een deterministische analyse van het brandrisico, aangevuld met een probabilistische analyse van het brandrisico in het geval van de centrales.
| Laatste update |
|---|
| 20/01/2012 - 12:00 |



